Het Boerenleven

Onze gemeente en ook de naburige gemeenten hadden vroeger vrijwel uitsluitend een agrarische gemeenschap. Onze voorouders waren dan ook voor een groot deel boeren en landarbeiders. Een klein deel bestond uit ambachtslieden en bestuurders.

Over al deze onderwerpen is bij onze vereniging veel bekend en ook veel op schrift gesteld en in boekvorm beschikbaar. Ook hebben wij hierover veel fotomateriaal, uiteraard het meeste over het boerenleven.

 

Verslag lezing ‘de Dellen’

Lezing L. Rondeboom tijdens een voorjaarsledenvergadering.

Tijdens de ledenvergadering welke gehouden werd op donderdag 21 april a.s. in het Grindhuis te ‘t Loo heeft de heer Lodewijk Rondeboom uit Epe een lezing gehouden over het landgoed “De Dellen”. Hij ging in op het ontstaan van het landgoed, de ontginning van de woeste grond tot akkers en weiland en het stichten van de benodigde bedrijfsgebouwen.

De toenmalige eigenaar, de patriot Herman Willem Daendels uit Hattem wilde er een grootschalige boerderij beginnen om er uiteraard geld mee te verdienen. Hij exploiteerde destijds ook de zgn. “Riethaare” tussen Kerkdorp en Noordeinde in de polder Oosterwolde d.m.v. turfwinning.
Echter de schrale zandgronden in De Dellen leenden zich niet voor de landbouw en veeteelt. Later is men er een bos op gaan planten.

Rondeboom laat u met woord en beeld onder andere kennis maken met het landgoed, de toenmalige vrij belangrijke nationale wegenstructuur alsmede de begin 1800 gebouwde herberg annex posthuis gelegen op de kruising van de Elburgerweg met de Hessenweg. Na Herman Willem Daendels zijn er nog twee eigenaren geweest te weten F.T. Engelenburg uit Oldebroek en C.H.D.Buys Ballot uit Utrecht, de oprichter van het K.N.M.I. Sinds 1929 is het landgoed in eigendom van het Geldersch Landschap.

Lodewijk Rondeboom is projectleider van het Geldersch Landschap, hij vertelt op zeer deskundige wijze over het landgoed De Dellen.
Ook is hij de schrijver van het boek “Een Oase in het Heerderdal, de geschiedenis van landgoed De Dellen 1803-2003”.

Oldebroek in rouw

Wie in de 19e eeuw een familielid verliest door overlijden, moet een periode van rouw aannemen. Die rouwtijd kon duren van zes weken tot vier jaar. Dat iemand rouwt, is onder andere zichtbaar in de kleding. Dat geldt ook op de Noord-Veluwe, waar in die tijd nog klederdracht gedragen wordt.

Zwart en wit zijn de kleuren voor zware of diepe rouw op de Noord-Veluwe. Vooral voor vrouwen golden specifieke (ongeschreven) regels voor hoe de kleding eruit moest zien tijdens de rouw. Die regels verschilden ook van plaats tot plaats.

Voor alle kleding – de oorijzerdracht, de tipmutsen en de doeken – geldt dat het er soberder uit gaat zien. Vrolijke en glimmende kleuren zijn niet meer te zien. Tegen het einde van de rouwperiode keren de kleuren langzaam weer terug in de klederdracht.

Toch is ook de klederdracht tijdens de rouw aan mode onderhevig. Na de Tweede Wereldoorlog wordt er bijna geen klederdracht meer gedragen op de Noord-Veluwe.